Pissebedden
De pissebed is een geleedpotig dier dat bij de kreeftachtigen wordt ingedeeld. Pissebedden hebben een exoskelet, dit wil zeggen dat ze geen botten hebben maar dat de buitenkant van hun lichaam is verhard. Zo blijven de beestjes één geheel en tegelijkertijd biedt dit pantser bescherming. Wereldwijd zijn er ongeveer negenhonderd soorten pissebedden bekend. In Nederland komen zevenendertig verschillende soorten voor.
De pissebed kwam vroeger alleen voor in het water, maar in de loop der jaren is het dier zich ook op het land gaan nestelen. Dit kun je zien omdat de pissebedden die op het land leven nog steeds kieuwen hebben aan de onderkant van het lichaam. Omdat kieuwen vochtig moeten blijven, bevindt de pissebed zich het liefst in een vochtige ruimte.
Een pissebed kan als hij is uitgedroogd water zijn lichaam in krijgen door de twee staartachtige aanhangsels aan de achterzijde van het lichaam in het water te laten zakken. Hierdoor zuigt het water zijn lichaam in. Een teveel aan water kan worden afgegeven aan de grond door met de staartachtige aanhangsels de grond aan te raken.
Vroeger dacht men dat pissebedden konden helpen bij problemen met plassen. Waarschijnlijk hebben de beestjes daarom ook de naam ‘pissebed’ gekregen.

De pissebed is een dier dat vervelt om op te kunnen groeien. Als de pissebed moet vervellen dan vervelt eerst de ene helft van zijn lichaam. Als dat deel weer is aangehard vervelt ook de andere helft. Dit is om ook ten tijde van de vervelling bescherming te hebben tegen vijanden.

Leefomgeving
De leefomgeving van de pissebed is vochtig en er zijn veel plekken om zich te verschuilen. De rest van de factoren is van minder belang voor deze dieren. Daarom kun je ze ook op veel plaatsen tegen komen, bijvoorbeeld in je tuin. Pissebedden worden meestal in groepen aangetroffen, dit heeft te maken met de vochtigheid. Als ze tegen elkaar aan zitten verdampt er namelijk minder water uit het lichaam van de pissebedden dan wanneer ze alleen zouden zitten.
In een lichte, droge en verwarmde ruimte kunnen pissebedden niet overleven; ze zijn dan na twee tot drie dagen dood door uitdroging.
Voedsel
De pissebed eet dode resten van de natuur zoals afgevallen bladeren en dode takjes. Ze dragen dus bij aan het natuurlijke opruimproces waarin oude resten worden verwijderd uit de natuur. Ze eten ook, bij gebrek aan dode plantenresten, dode dieren, aaskevers of zelfs hun eigen uitwerpselen. Hierdoor kun je de pissebed zien als een omnivoor, een alleseter.
Vijanden
Veel dieren eten pissebedden. Zo eten sommige vogels (de merel )en amfibieën (kikkers en padden) de diertjes, maar vooral spinnen en insecten voeden zich door pissebedden op te eten. De roodwitte celspin is zelfs gespecialiseerd in het doden en eten van pissebedden. Ook egels en spitsmuizen eten graag pissebedden.
Sommige pissebedden kunnen zichzelf oprollen om zich zo te beschermen tegen vijanden.

Soorten
Er zijn ongeveer 900 soorten pissebedden. Deze worden verdeeld in vier groepen. Dit verdelen gebeurd op basis van het gedrag dat ze vertonen en op basis van hun vorm.

1) Soorten die een brede, platte vorm hebben en zich overal aan vastgrijpen.
2) Soorten die zich bij aanraking of bedreiging oprollen tot een balletje.
3) Soorten met een slanke vorm en lange poten die bij een bedreiging snel weglopen.
4) Soorten die overblijven, deze kruipen meestal langzaam weg.
Paren
Vrouwtjespissebedden paren meerdere keren per jaar, meestal met verschillende mannetjes. Het paren gebeurt 's nachts. Een paringsbereid vrouwtje wordt door een mannetje herkent aan de geur die zij verspreid. Het mannetje klimt op het vrouwtje, likt haar kop en trommelt minutenlang op haar rug met zijn pootjes. Dan verschuift hij naar een diagonale positie op haar rug en bevrucht haar aan één kant. Daarna neemt hij de tegenovergestelde diagonale positie in om haar andere kant te bevruchten, een vrouwtje heeft twee vagina's en een mannetje twee penissen.
Pissebedden zijn geen zoogdieren en daarom “leggen” ze eieren. Het vrouwtje draagt de eitjes die bevrucht zijn in een zogenaamd broedbuideltje onder haar lichaam, tussen het tweede en het vijfde paar pootjes. De larven komen na ongeveer vier weken uit de eitjes. Door het bewegen van de larven breekt na een aantal dagen de broedbuidel open.