Inflatie
Meestal wordt met inflatie prijsinflatie bedoeld, dat wil zeggen een stijging van het algemeen prijspeil. Producten worden dan duurder. Door een stijging van het algemeen prijspeil kan een daling van koopkracht optreden. Dit gebeurt echter alleen als de lonen procentueel minder snel stijgen dan de prijzen. Hieronder volgen drie voorbeelden ter verduidelijking:

    De lonen stijgen met 5%. De prijzen stijgen ook met 5%. De koopkracht blijft dus gelijk; het loon is immers evenveel toegenomen als de prijzen van producten.

    De lonen stijgen met 2%. De prijzen stijgen met 5%. De lonen stijgen dus minder snel dan de prijzen van producten. Dat betekend dat consumenten minder kunnen kopen; de koopkracht daalt dus.

    De lonen stijgen met 3%. De prijzen stijgen met 2%. De prijzen stijgen dus minder snel dan de lonen. Consumenten kunnen meer kopen; de koopkracht stijgt.


Er zijn twee vormen van prijsinflatie te onderscheiden; kosteninflatie en bestedingsinflatie.
Kosteninflatie
Bedrijven die te maken hebben met stijgende kosten willen deze stijging het liefst doorberekenen in hun producten. Dit is om de winst niet te laten dalen. Dit verschijnsel heet kosteninflatie.
Bestedingsinflatie
Bestedingsinflatie onstaat als er een economische overbesteding is. Dit komt voor als mensen spullen blijven kopen terwijl bedrijven al op hun maximale capaciteit produceren. De bedrijven willen graag een zo hoog mogelijke winst. Omdat er toch genoeg klanten zijn die hun producten kopen, zullen de bedrijven de prijzen verhogen. Het is namelijk lastig om de productiecapaciteit in een korte tijd te vergroten.